|
Vijf ploegen ingeschreven: België, Groot-Brittanië, Nederland,
Oostenrijk en Zweden.. In de voorronde schakelde België Nederland uit
met 8-1 en in de halve finale moest Zweden voor de bijl met 8-4. Omdat tegenstander
Oostenrijk zich op dat moment uit het tornooi terugtrok, diende Groot-Brittanië enkel
de finale te Spelen, die het met 9-2 won van de Belgen.
De Belgen hadden
twee wedstrijden gewonnen, maar moesten het goud aan Engeland laten dat amper één
wedstrijd speelde.
Bij de winnaars Paul Radmilovic in het water, één van de grootste Britse waterpolospelers aller tijden. Hij vertegenwoordigde Groot-Brittannië op vijf verschillende Olympische Spelen en als de Eerste Wereldoorlog niet was uitgebroken was dat er nog eentje meer geweest. In 1912 en 1920 was hij kapitein van de winnende Engelse waterpoloploeg, in 1908 speelde hij een dominante rol in het gouden zevental. Datzelfde jaar maakte hij ook deel uit van de estafetteploeg 4x200m vrije slag die ook goud binnenhaalde. Zijn topjaar in het zwemmen was 1925, toen hij, op die van de mijl na, alle Britse vrije slag titels veroverde. Hij begon met waterpolo toen hij zestien was en kapte met de sport op 45-jarige leeftijd.
Ook Charles Smith in de ploeg bij de winnaars, hij verdedigde het doel van de Britse nationale ploeg zo maar eventjes 24 jaar.

één van de partijen in 1908
De Belg Fernand Feyaerts werd topscorer met 8 doelpunten,
bovendien werd hij onderscheiden omdat hij in elk van zijn drie wedstrijden
scoorde en hij met zes doelpunten topscorer werd in één enkele
wedstrijd.

De Belgische ploeg
Winnaar Groot-Brittannië
Andere Belg in het zevental was Victor Boin, die ook meedeed
aan het schermen, waarin hij vier Olympische medailles behaalde. Bovendien
was hij een uitstekende ijshockeyspeler, zwemmer, vliegtuigpiloot
en journalist. In 1905, tijdens de wereldkampioenschappen zwemmen
in Parijs, veroverde hij de zilveren medaille op de 500 m vrije slag.
In 1920 tijdens de Spelen in Antwerpen was hij de allereerste atleet
die de Olympische eed aflegde. In totaal nam hij deel aan vier Olympische
Spelen (1908, 1912, 1920 en 1924).
Na zijn actieve sportcarrière werd hij van 1955 tot 1965 voorzitter
van het Belgisch Olympisch Comité. Het prachtige art deco zwembad
in het Brusselse Sint-Gillis is naar hem genoemd, evenals een trofee
die ieder jaar de beste zwemmer of zwemster bekroond.
Met de bouw van een 100m zwembad, waarbij de banen duidelijk
werden uitgelijnd, lanceerden de Britten ook een standaard voor toekomstige
internationale zwemwedstrijden. De grootste medaillewinnaar werd de
Brit Henry Tailor, die drie stuks meegraaide.
De zes afstanden van 1908 werden later vaste nummers van
het Olympisch zwemprogramma en werden sindsdien op alle Spelen gezwommen.
De 50m, 200m, en 800m vrije slag verdwenen van het programma (hoewel
de eerste twee later terugkwamen), de aflossing werd van 4 x 50m vrije slag
verlengd naar 4 x 200m, en de 400m schoolslag werd verkort tot 200m.
Canada en Finland maakten bij het zwemmen hun eerste opwachting.
14 landen schreven in voor het, goed voor 100 zwemmers.

Henry Taylor na zijn succesvolle 1500m vrij
Henry Taylor won de 400 en de 1500m vrije slag en had eveneens een aandeel in het goud van de estafetteploeg. De 1500m vrije slag was bovendien goed voor het eerste wereldrecord over die afstand, al doet zijn tijd van 22.48.4 ons toch even glimlachen.
De Duitse bankier Arno Bieberstein was de beste over 100m rug, een nummer dat voor het eerst als aparte wedstrijd werd gezwommen. Ook dat wereldrecord van 1.24.6 geeft thans alle reden tot glimlachen. Bovendien was zijn zwemstijl het aankijken niet waard, de Duitser zwom een soort schoolslag, maar dan op de rug.
Op de 200m vrije slag na werden overigens alle wereldrecords verbeterd: de Amerikaan Charles Daniels met 1.05.6 in de 100m vrij en de Engelsman Frederick Holman met 3.09.2 over 200m schoolslag.
Venijn tussen de Verenigde Staten en het gastland tijdens
de openingsceremonie, toen de Amerikaanse vlaggendrager Ralph Rose
weigerde om de vlag te strijken voor de koninklijke box. 'Deze vlag strijkt voor geen
enkele aardse koning,' was de lakonieke commentaar van teamkapitein
Martin Sheridan. Heel toevallig waren er tijdens de Spelen zelf heel
wat contesteerbare beslissingen van de officials tegen Amerikaanse
atleten, met als hoogtepunt de 400m vlak. Amper vier lopers aan
de start, één Brit en drie Amerikanen. J. C. Carpenter,
die de race won, werd gedisqualificeerd voor zogezegd hinderen van
de Britse loper Wyndham Halswelle. De scheidsrechters eisten een nieuwe
finale, maar de drie Amerikanen weigerden elke deelname. Halswelle
won, heel alleen liep hij de volle ronde. Andere vlaggenincidenten: de Finnen moesten opkomen achter
de Russische vlag, maar deden het tenslotte zonder vlag, de Ieren werden
aangemaand voor het Britse team uit te komen, de meesten gaven daarna
forfait, de Zweedse vlag wapperde niet boven het stadion, reden waarom de
Zweden niet deelnamen aan de openingsceremonie.

Dorando Pietri
En ook nu weer controverse in de marathon, toen de leidende
Italiaan Dorando Pietri, na zijn intrede in het stadion, verschillende keren
neerstortte. Artsen pepten hem telkens weer op en enkele officials
hielpen hem opnieuw ter been en droegen hem zelfs over de finishlijn.
Protest van de Amerikanen, omdat hun atleet Johnny Hayes tweede was
geëindigd. Na zeer lang gepalaver kreeg hij dan toch de gouden
plak.
De Zweed Oscar Swahn won de wedstrijd 'schieten op lopend hert' en
werd daarmee de oudste winnaar ooit, twaalf jaar later in Antwerpen
deed hij dat nog eens over en met zijn toenmalige leeftijd van 72 jaar
en 279 dagen vestigde hij opnieuw een ouderdomsrecord dat wel nooit
zal verbeterd worden.

Nog steeds werd er geprotesteerd tegen het feit dat er wedstrijden op de heilige zondag werden gehouden. Forrest Smithson, een Amerikaanse hordenloper, deed dit door de wedstrijd te lopen met een bijbel in zijn hand.
Alfred Gilbert, die met een sprong van 3m71 in het polsstokspringen het goud deelde met landgenoot Edward Cooke werd later een meer dan succesvol zakenman. Eén van zijn uitvindingen was de 'Erector set', een soort mecano waarvan er wereldwijd 30 miljoen exemplaren werden verkocht. Zijn universitaire studies betaalde hij met optredens als goochelaar en hij behaalde met glans zijn diploma sportgeneeskunde. Dat beroep oefende hij echter nooit uit, hij schopte het immers verder als zakenman door de A.C. Gilbert Company op te richten, een speelgoedfabriek. In 1918 verbood de Amerikaanse staat de productie van speelgoed, waartegen Gilbert uiteraard fors protesteerde. Hij won het pleit en de kranten bedachten hem met de titel' de man die kerstmis redde'. Buiten de Erector set lanceerde hij ook microscoop- en chemiesets voor kinderen, evenals een weerstation, een set om zelf horloges of radio's te bouwen. In totaal legde hij 150 patenten neer. Zijn zelf geschreven biografie 'The Man Who Lives in Paradise' is een mooie samenvatting van zijn leven.
<< 1904 1912
>>
|